Skip to content

Jeugdbescherming en -reclassering

Jeugdbescherming omvat de uitvoering van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel, zoals ondertoezichtstelling (al dan niet met uithuisplaatsing) of een voogdijmaatregel (bij beëindiging van het ouderlijk gezag).

Jeugdreclassering omvat toezicht en begeleiding. Dit is onderdeel van door de rechter opgelegde voorwaarden bij schorsing van een voorlopige hechtenis (als een jeugdige nog niet is veroordeeld) of bij een voorwaardelijke veroordeling. De jeugdreclassering kan jongeren ook vrijwillige begeleiding bieden in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming.

Voor de samenwerking tussen gemeente en gecertificeerde instellingen gelden algemene uitgangspunten:

  • Het gaat bij jeugdbescherming en jeugdreclassering om hulp in een gedwongen kader. Mensen hebben er niet om gevraagd. Toch is het eerste uitgangspunt dat het gezin de bemoeienis waar mogelijk zal moeten ervaren als helpend en steunend. Versterking van de eigen kracht van jeugdigen, gezinnen en hun sociale netwerk staat voorop.
  • De instellingen sluiten bij de uitvoering van maatregelen zo veel mogelijk aan bij gemeentelijk beleid. Dit is in balans met de wettelijke taken en bevoegdheden van de instellingen en hun ketenpartners.

Welke professionals kunnen toegang verlenen?

De toegang tot jeugdbescherming en -reclassering vindt plaats via de Raad voor de Kinderbescherming. De organisatie doet onderzoek om tot een goede beslissing te komen. Daarna volgt advies aan de kinderrechter om (voorlopig) ondertoezichtstelling toe te kennen. Medewerkers van Veilig Thuis Flevoland en SAVE-begeleiding kunnen onderzoek aanvragen.

Welke aanbieders zijn beschikbaar?

De regio Flevoland heeft met Samen Veilig Midden-Nederland een overeenkomst gesloten om de jeugdbescherming en jeugdreclassering uit te voeren. Samen Veilig heeft een samenwerkingsovereenkomst met het Leger des Heils en de William Schrikker Groep. De laatstgenoemde bedient de zaken waarbij:

  • een of meer van de gezinsleden een IQ lager dan 70 hebben; 
  • jeugdigen met een ernstige lichamelijke of zintuiglijke beperking of terminale ziekte betrokken zijn.